Scherm [Details/Bewerken]
Het scherm [Details/Bewerken] wordt weergegeven als u op [

Instellingen/Registratie]

[Voorkeuren]

[Papierinstellingen]

[Instellingen beheer type papier] drukt, het type papier selecteert en op [Details/Bewerken] drukt.
U kunt de papiertype-informatie op dit scherm controleren en wijzigen.
Beheerders- of DeviceAdmin-bevoegdheden zijn vereist.
U kunt op [Wijzigen] drukken voor elk item om de papiersoortinformatie te wijzigen.
BELANGRIJK
Als de volgende informatie afwijkt van de informatie van het papier dat daadwerkelijk wordt gebruikt, kan er een papierstoring of afdrukprobleem optreden.
[Basisgewicht]
[Afwerken]
[Type]
[Kleur]
[Naam]
U kunt de naam van het type papier wijzigen.
[Basisgewicht]
U kunt het papiergewicht wijzigen.
[Afwerken]
U kunt de oppervlaktekwaliteit van het papier wijzigen (zoals fijn papier en kringlooppapier).
[Type]
U kunt de kenmerken van het papier wijzigen (zoals tabblad en enveloppen).
[Kleur]
U kunt de papierkleur wijzigen.
[Gebruiken als sjabloonpapier]
Stel dit in op [Aan] als u papier gebruikt met een logo of ander grafisch ontwerp.
* Het geladen papier met deze instelling ingesteld op [Aan] wordt in de volgende gevallen niet automatisch geselecteerd:
Als de instellingen zo zijn geconfigureerd dat de te gebruiken papiersoort automatisch wordt geselecteerd voor het afdrukken
Als [Auto. selectie papierbron] is ingesteld op [Aan], en [Geef papiertype aan] is ingesteld op [Uit], voor het kopiëren van
[Auto. selectie papierbron]
* Als u papier plaatst met deze instelling op Aan, let dan op de afdrukstand en welke zijde naar boven is gericht.
Richtlijnen voor het plaatsen van papier met een logo
[2de zijde van 2-zijdige pag.]
Stel dit in op [Aan] als u papier registreert waarvan de achterkant al bedrukt is.
[Papiervezelrichtingsinstelling] (alleen 8100-serie)
Als het uitvoerpapier is omgekruld of als er regelmatig papierstoringen optreden nadat papier de fixeereenheden passeert onder situaties met een hoge temperatuur en luchtvochtigheidsgraad, stelt u dit in op [Aan].
Selecteer [Verticaal] als u papier gebruikt met een vezelrichting die haaks op de invoerrichting staat.
Selecteer [Evenw.] als u papier gebruikt met een vezelrichting die evenwijdig loopt aan de invoerrichting.
* Als u de vezelrichting verkeerd instelt, kunnen papierstoringen optreden en kan de kwaliteit van de afbeelding negatief worden beïnvloed.
[Aanpassen beeldpositie]
U kunt de afdrukpositie aanpassen wanneer de afgedrukte beelden verschoven zijn.
Afdrukpositie aanpassen
[Aanpassen kruipcorrectie]
U kunt de hoeveelheid kruipcorrectie (verschuiving) voor elk blad aanpassen, zodat de binnenste pagina's niet naar buiten kruipen wanneer het gelaagde papier dubbelgevouwen wordt.
Als u een boekje met rugnieten maakt met aangepast papier en [Aanpassen kruip (verplaatsing) correctie] automatisch uitvoert, wordt de correctie uitgevoerd volgens de correctiehoeveelheid die voor deze instelling is ingesteld.
* Voor meer informatie over [Aanpassen kruip (verplaatsing) correctie], raadpleeg het volgende:
[Aanpas. waaierniv. papierscheid.] (alleen 8100-serie)
U kunt het luchtvolume van de papierscheidingswaaier wijzigen aan de hand van de symptomen van problemen die zich voordoen. Neem voor meer informatie over de aanpassingsmethode contact op met uw dealer of verkoper.
* U kunt de instelling configureren wanneer het optionele POD Deck Lite of het multilade-papiermagazijn op de machine is geïnstalleerd.
[-5] t/m [-1]: Wanneer afbeeldingen met een hoge dichtheid niet gelijkmatig worden afgedrukt of er veel krulvorming optreedt op het afgedrukte papier
[0]: Als normaal
[1] t/m [5]: Als er vaak een papierstoring optreedt of als de machine in een warme en vochtige omgeving wordt gebruikt
[Vent. aanp. voor papiertransp.] (alleen 8100-serie)
Als papier vaak vastloopt of als het uitvoerpapier gekreukeld is en het er golvend uitziet, verhoogt u het waaierniveau voor het papiertransport vóór de fixatie.
Pas de ventilator herhaaldelijk aan wanneer papier waarvan de lengte tot de parallelle rand van de invoerrichting minder is dan 200 mm, in de papiertransportband is vastgelopen vóór de fixatie.
Stel in op [1] wanneer normaal papier of dun papier wordt gebruikt.
Stel in op [-1] wanneer de temperatuur/vochtigheid hoog is en zwaar papier wordt gebruikt.
[Papierkrulling aanpassen] (alleen 8100-serie)
Papierkrulling is een vervorming van papier die plaatsvindt als de beeldpositie wordt aangepast.
Als de afgedrukte afbeelding scheef is, het uitvoerpapier gekreukeld is of de voorrand/achterrand van het papier is omgekruld, past u de insteling van de papierkrulling aan.
U kunt op [±] drukken om de ingevoerde waarde tussen positief en negatief te laten wisselen.
Verhoog de instellingswaarde om scheef beeld te corrigeren.
Verlaag de instellingswaarde om papierkreukels, lusvormingsmarkeringen of omkrullen op de invoerrand/achterrand van het papier te verminderen.
[Snelheid papieruitlijning aanp.] (alleen 6100-serie)
Pas de snelheid van het opnieuw uitlijnen van het papier aan als de afbeelding ruwer is dan wanneer er op normaal papier wordt afgedrukt. Neem voor meer informatie over de aanpassingsmethode contact op met uw dealer of verkoper.
Druk op [-] als er ruwheid optreedt in het afgedrukte beeld.
[Aanpassen glans] (alleen 6100-serie)
Pas de glans van de afgedrukte afbeelding aan wanneer u normaal papier, gecoat papier of ander papier gebruikt.
Druk op [-] om de glans te verlagen, of druk op [+] om de glans te verhogen.
Pas de waarde geleidelijk aan om problemen te voorkomen die kunnen optreden wanneer u de aanpassingswaarde aanzienlijk wijzigt.
Afhankelijk van het papier kan het instellen van een [-]-waarde een fixeer- of afdrukfout veroorzaken en het instellen van een [+]-waarde een papierstoring.
[Aanpassen glans/fijn zwart] (alleen 8100-serie)
Pas de glans van normaal of gecoat papier aan door de temperatuur van de fixeereenheid aan te passen. U kunt ook bij normaal papier de instelling Fijn zwart aanpassen als er op de zwartgedrukte gebieden kleine witte korrels verschijnen en wanneer de vezelrichting van het papier deels zichtbaar is op het afgedrukte oppervlak.
Druk bij gecoat papier op [+] om de glans te verhogen en druk op [-] om de glans te verlagen.
Druk op [+] om het fijne zwart voor normaal papier te verbeteren.
De waarden voor [Glans] en [Fijn zwart] staan rechtstreeks met elkaar in verband.
U kunt de instelling [Fijn zwart] niet instellen voor transparanten, gecoat en velijnpapier.
Het afstellen kan door de papierkenmerken het tegenovergestelde resultaat opleveren. Controleer het uitvoerresultaat terwijl u de waarde aanpast.
Als de waarde in deze modus wordt verhoogd, kan er afhankelijk van het papier een papierstoring optreden. Als de waarde wordt verlaagd, kunnen fixeer- of afdrukfouten optreden.
Pas de waarde geleidelijk aan om problemen te voorkomen die kunnen optreden wanneer u de aanpassingswaarde aanzienlijk wijzigt.
[Marges voorachter aanpassen]
U kunt de lengte van de marges aan de voor- en achterrand aanpassen aan de invoerrichting. Bij kleine marges kunnen er afdrukfouten optreden, zoals een ongelijkmatige glans, vouwen in de hoeken en papierstoringen. Vergroot in dergelijke gevallen de margelengte.
[Pas temp. aan om kreuk. te voork.] (alleen 8100-serie)
Wijzig het kreukelcorrectieniveau als er kreukels verschijnen of als het papier dun en versleten lijkt.
U kunt op [±] drukken om de ingevoerde waarde tussen positief en negatief te laten wisselen.
Als u deze instelling wijzigt, kan dat een aanzienlijke invloed hebben op het omkrullen van het papier.
[Prim. overd.spanning aanpassen] (alleen 8100-serie)
Pas aan als er ongelijkmatige densiteit optreedt in het afdrukgebied.
U kunt op [±] drukken om de ingevoerde waarde tussen positief en negatief te laten wisselen.
[Sec. overdr.spanning aanpassen]
Als de algehele afgedrukte afbeelding lichter van kleur is of vervormd is in vergelijking met afdrukken op normaal papier, kunt u de secundaire overdrachtsspanning aanpassen (spanning wanneer de afbeelding op het papier wordt overgebracht).
De overdrachtsconditie van de afgedrukte afbeelding aanpassen
[Pas voorrand sec. trans. volt. aan.]
Als de afgedrukte afbeelding lichter van kleur is of alleen vervormd is in het gebied aan de voorrand van het papier volgens de toevoerrichting in vergelijking met de afgedrukte afbeelding op normaal papier, kunt u de secundaire overdrachtsspanning voor de voorrand aanpassen (spanning wanneer het beeld op het papier wordt overgebracht).
Als u [Aanpassingsniveau] op een [+] waarde instelt, zal het effect op het afdrukprobleem toenemen. Als de ingestelde waarde te hoog is, verschijnen er mogelijk witte vlekken in gebieden met een hoge dichtheid.
Als u [Aanp.bereik] instelt op een [+]-waarde, wordt de aangepaste afstand vanaf de voorrand van het papier langer (met 1 mm voor elke "+1").
Deze aanpassing kan de instellingen [Corrigeer achterrand tonertoepass.] en [Aanpassen beeldpositie] beïnvloeden. Pas deze instellingen indien nodig aan.
[Corrigeer achterrand tonertoepass.]
Als u gekruld papier gebruikt of papier dat snel krult bij dubbelzijdig afdrukken, kunnen er witte vlekken of vage kleuren in de afbeelding ontstaan aan de achterrand van het papier, afhankelijk van de invoerrichting. Afbeeldingen met een lage dichtheid kunnen ook lichter of dieper van kleur worden. Als dit gebeurt, moet u toner op de achterrand op de juiste manier aanbrengen.
Als u [Correctieniveau] op een [+] waarde instelt, zal het effect op het afdrukprobleem toenemen. Als de ingestelde waarde te hoog is, verschijnen er mogelijk witte vlekken in gebieden met een hoge dichtheid.
Als u [Correctie hoeveelh.] instelt op een [+]-waarde, wordt de aangepaste afstand van de achterrand naar de voorrand van het papier langer (met 1 mm voor elke "+1").
Als de symptomen niet verbeteren, zelfs niet na het uitvoeren van de juiste tonertoepassing aan de achterrand, voert u een aanpassing uit met behulp van [Sec. overdr.spanning aanpassen] of [Pas voorrand sec. trans. volt. aan.]. U kunt een bepaald effect verwachten door de secundaire overdrachtsspanning kleiner te maken dan de huidige waarde, maar dit kan van invloed zijn op afbeeldingen.
[Tonerreductiemodus] (alleen 6100-serie)
Stel dit in op [Aan] als er afdrukfouten optreden, zoals een ongelijkmatige glans, of als er papierstoringen of correctiefouten optreden. Hierdoor wordt er minder toner gebruikt voor het afdrukken, wat het probleem kan oplossen.
* De densiteit, kleurtoon of glans kunnen veranderen wanneer dit is ingesteld op [Aan], afhankelijk van het papier.
[Aanpassen wissen ITB beeld] (alleen 8100-serie)
Pas aan als er tonervlekken op het bedrukte papier verschijnen omdat de overdrachtsband (ITB, Intermediate Transfer Belt) niet schoon genoeg is.
U kunt op [±] drukken om de ingevoerde waarde tussen positief en negatief te laten wisselen.
Als het resultaat onbevredigend is nadat op [+] is gedrukt drukt u op [-]. Als na het aanpassen van de waarde in de richting [-] en [+] de situatie niet is verbeterd, kunt u proberen om de instelling [Sec. overdr.spanning aanpassen] aan te passen. De situatie kan worden verbeterd door de waarde van de secundaire overdrachtsspanning aan te passen in de richting [-]. Het abrupt wijzigen van de waarde van de secundaire overdrachtsspanning kan echter een grote invloed hebben op de kwaliteit van het uitvoerresultaat.
[Reliëfdiepte] (alleen 8100-serie)
Selecteer [Diep] wanneer u afdrukt op papier met textuur en oneffenheden.
[Aanpassen rugvouwpositie]
Pas de positie van de rugvouw aan zodat deze zich in het midden van het papier bevindt.
U kunt de waarden rechtstreeks invoeren of u kunt een testpagina afdrukken om de mate van verschuiving van de vouwpositie op de testpagina te controleren en vervolgens de aanpassing uitvoeren.
* Dit item wordt alleen weergegeven op machines waarop de optie geïnstalleerd is.
Waarden direct invoeren
Druk op [+] om de vouwpositie naar links te verplaatsen en druk op [-] om de vouwpositie naar rechts te verplaatsen.
Als u een testpagina gebruikt om de breedte van de vouwpositie te controleren en aan te passen
1
Druk op [Start]

[Volgende].
2
Selecteer de papierbron met het geplaatste bruikbare papier en druk op [Start afdrukken].
Een proefpagina wordt afgedrukt.
3
Selecteer de huidige staat van de vouwpositie en pas de verschuivingsbreedte aan.
Controleer de huidige staat van de vouwpositie en de verschuivingsbreedte op de testpagina, selecteer vervolgens de huidige staat en stel de verschuivingsbreedte in.
4
Druk op [OK].
5
Druk op [Start afdrukken] om de testpagina opnieuw af te drukken en controleer de resultaten van de aanpassing.
Als u de aanpassing wilt beëindigen zonder de testpagina af te drukken, drukt u op [Gereed].
6
Druk op [Gereed].
Als er meer aanpassing nodig is, drukt u op [Heraanpassen] en herhaalt u stap 3 tot en met 5.
[Positie Rugnietvouw aanpassen] en [Wijzig Vouw-/Nietpositie]
Pas de rugvouwpositie of rugnietpositie aan zodat deze in het midden van het papier zit. Gebruik [Positie Rugnietvouw aanpassen] om de vouwpositie van het papier aan te passen zonder de nietpositie te wijzigen, of gebruik [Wijzig Vouw-/Nietpositie] om zowel de nietpositie als de vouwpositie van het papier aan te passen.
U kunt de waarden rechtstreeks invoeren of u kunt een testpagina afdrukken om de verschuiving van de vouwpositie en de nietpositie op de testpagina te controleren en vervolgens de aanpassing uit te voeren.
* Dit item wordt alleen weergegeven op apparaten waarop de optie geïnstalleerd is.
Waarden direct invoeren
Voor [Positie Rugnietvouw aanpassen] drukt u op [+] om de vouwpositie naar rechts van de afdrukzijde te verplaatsen en op [-] om de vouwpositie naar links van de afdrukzijde te verplaatsen.
Voor [Wijzig Vouw-/Nietpositie] drukt u op [+] om de rugnietpositie naar rechts van de afdrukzijde te verplaatsen en drukt u op [-] om de rugnietpositie naar links van de afdrukzijde te verplaatsen.
Bij gebruik van een testpagina om de verschuiving van de breedte van de vouwpositie en de nietpositie te controleren en aan te passen
1
Druk op [Start]

[Volgende].
2
Selecteer de papierbron met het geplaatste bruikbare papier en druk op [Start afdrukken].
Een proefpagina wordt afgedrukt.
3
Selecteer de huidige staat van de vouwpositie en pas de verschuivingsbreedte aan.
Controleer de huidige staat van de vouwpositie en de verschuivingsbreedte op de testpagina, selecteer vervolgens de huidige staat en stel de verschuivingsbreedte in.
4
Druk op [Volgende].
5
Selecteer de huidige status van de nietpositie en pas de schuifbreedte aan.
Controleer de huidige status van de nietpositie en de schuifbreedte op de testpagina, selecteer vervolgens de huidige status en stel de schuifbreedte in.
6
Druk op [OK].
7
Druk op [Start afdrukken] om de testpagina opnieuw af te drukken en controleer de resultaten van de aanpassing.
Als u de aanpassing wilt beëindigen zonder de testpagina af te drukken, drukt u op [Gereed].
8
Druk op [Gereed].
Als er meer aanpassing nodig is, drukt u op [Heraanpassen] en herhaalt u stap 3 tot en met 7.
[Fixeersnelheid aanpassen] (alleen 6100-serie)
Bij gebruik van zwaar papier past u de fixeersnelheid aan als er strepen (lijnen) verschijnen of als het beeld wazig is aan de achterrand van het papier, afhankelijk van de invoerrichting. Neem voor meer informatie over de aanpassingsmethode contact op met uw dealer of verkoper.
* Als de omstandigheden zelfs na het indrukken van [+] niet verbeteren, druk dan op [-].
[Aanp. positie ponsgaten] (alleen 8100-serie)
Pas de ponsgatpositie aan wanneer de ponsgatpositie van het papier anders is overeenkomstig het papertype.
Verhoog de instelwaarde om de posities van ponsgaten naar beneden te verplaatsen. Verlaag de instelwaarde om de posities van ponsgaten naar boven te verplaatsen.
[Fixeerdruk aanpassen] (alleen 8100-serie)
Pas aan als het kreukelen en omkrullen van de achterrand van het papier niet verbetert na aanpassing van de fixeersnelheid.
U kunt op [±] drukken om de ingevoerde waarde tussen positief en negatief te laten wisselen.
Als het resultaat onbevredigend is nadat op [+] is gedrukt drukt u op [-].
[Pas papiertransport aan] (alleen 8100-serie)
Pas de papierinvoersnelheid aan als er tijdens het afdrukken beeldproblemen of papierstoringen optreden.
Omdat het sterk verhogen van de waarde papierstoringen kan veroorzaken, raden we aan de waarden in kleine stappen aan te passen.
Afhankelijk van het type probleem met de afdrukkwaliteit moeten mogelijk hieraan gerelateerde onderwerpen worden aangepast.
[Detecteer meervoudige invoer] (alleen 8100-serie)
Stel de detectie voor het invoeren van meerdere vellen papier voor elk geregistreerd papiertype van te voren in.
Als [Auto] is ingesteld, is de herkenning van de invoer van meerdere vellen is uitgeschakeld in overeenstemming met de vormen van verschillende media.